FAQ's

donderdag 16 februari 2017
Thema's:  Over de KNVG

Kan ik lid worden van de KNVG?

De KNVG is een koepel van verenigingen. Alleen verenigingen van gepensioneerden kunnen lid worden. Bent u aangesloten bij een vereniging en wenst u meer te weten over het lidmaatschap, eventueel voor uw vereniging, dan kunt u eenvoudig een reactie geven bij de pagina “reageren”. Individuele leden kunnen alleen indirect lid worden van een van de aangesloten verenigingen. Bent u bijvoorbeeld gepensioneerde van Hoogovens, Corus of Tata Steel dan zou u lid moeten worden van de Vereniging van Oud Hoogovens Medewerkers (VOHM) die weer lid is van de KNVG. Het is mogelijk dat uw bedrijf of bedrijfstak als gepensioneerdenvereniging niet vertegenwoordigd is of helemaal geen vereniging van gepensioneerden heeft. In dat geval zou u kunnen toetreden tot de Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen (NBP). Op de website van de NBP (www.pensioenbelangen.nl) kunt u zien hoe deze vereniging werkt en hoe u lid kunt worden. De NBP is er ook voor mensen met een ABP-pensioen.

 

Een aantal pensioenfondsen heeft een vooraankondiging gedaan dat ze gaan korten op de pensioenrechten, als gevolg van een te lage dekkingsgraad. Is dat noodzakelijk en verantwoord?

Dit antwoord gaat over het aanvullend pensioen, niet over de AOW. Het aanvullend pensioen is een kapitaaldekkingsstelsel; het geld is bijeen gespaard door werkenden. Zij betaalden gedurende hun leven pensioenpremie, die nog eens werd aangevuld door de werkgever. Het opgespaarde geld wordt collectief belegd. Voor elk jaar premiebetaling worden uitkeringsrechten verkregen. Het gaat in dit stuk dus over een korting op die uitkeringsrechten. De AOW is een omslagstelsel, werkenden betalen AOW-premie waarmee de AOW-uitkeringen aan gepensioneerden worden betaald. Er is bij de AOW geen spaarpot.

Dit antwoord gaat niet over die pensioenfondsen die een slecht beleggingsbeleid hebben gevoerd en die door dit slechte beleid in moeilijkheden zijn gekomen. Of pensioenfondsen waar in het verleden te weinig premie is betaald om de toezeggingen waar te maken. Iedereen begrijpt dat in zo’n geval niet kan worden ontkomen aan een aanpassing van de uitkering.

Dit verhaal gaat dus over in de kern gezonde pensioenfondsen die over voldoende middelen beschikken om aan hun verplichtingen te voldoen maar die toch moeten korten op de toegezegde uitkering. Die korting geldt voor gepensioneerden die dat onmiddellijk in hun portemonnee voelen. Maar hij geldt ook voor actieven, die hun toekomstige rechten gekort zien worden.

Door opinieleiders, journalisten, politici en hoogleraren worden diverse redenen genoemd waarom nu op de uitkeringsrechten moet worden gekort.

  1. De mensen worden steeds ouder. We noemen dat de levensverwachting.
  2. Er zijn steeds minder werkenden die de pensioenuitkering aan ouderen moeten ondersteunen.
  3. De beleggingsresultaten van de pensioenfondsen zijn als gevolg van de kredietcrisis en de Eurocrisis zo slecht dat er onvoldoende geld in de fondsen zit.
  4. De rente waarmee de verplichtingen van de fondsen contant worden gemaakt voor de berekening van de dekkingsgraad is extreem laag.

Ad 1. Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw wordt periodiek onderzoek gedaan naar de levensverwachting, met name na het 65ste jaar. Deze levensverwachting nam langzaam toe en werd periodiek verwerkt in de verplichtingen van de fondsen. Enige jaren geleden is de methodiek voor berekening van de resterende levensverwachting aangepast, zowel door het CBS als door het Actuarieel Genootschap. Dat heeft ertoe geleid dat nu wordt uitgegaan van een aanzienlijk langere levensverwachting, voor mannen zowel als voor vrouwen. Deze toename is in 2010 bij alle pensioenfondsen in de verplichtingen verwerkt. Dat heeft gemiddeld geleid tot een daling van de dekkingsgraad met 5 tot 7 procentpunten.

Ad 2. Het is juist dat het aantal werkenden in verhouding tot het aantal gepensioneerden toeneemt. Zijn er nu nog 4 werkenden per gepensioneerde, over een aantal jaren is die verhouding 2:1. Dat is een logisch gevolg van pensionering van de babyboom generatie enerzijds en het sterk teruggelopen geboortecijfer anderzijds. Deze ontwikkeling heeft effect op de financiering van de AOW, dat immers een omslagstelsel is. Nu al wordt een derde van de AOW uitgaven betaald uit de algemene middelen, omdat de opbrengst van de premie te laag is. Gevreesd moet worden dat deze ontwikkeling doorgaat. Maar de vergrijzing of de ontgroening hebben niets te maken met het aanvullend pensioen, dat op individuele basis bijeen gespaard wordt in een kapitaalfonds. Beweringen van  Martin  Pikaart en anderen in deze richting berusten op een gebrek aan kennis of, erger nog, op demagogie.

Ad 3. Uiteraard hebben de pensioenfondsen last gehad van de credietcrisis en de problemen rond de Euro. Uit onderzoek van De Nederlandsche Bank blijkt echter dat de pensioenfondsen in het algemeen een gemiddeld beleggingsresultaat hebben gehad van 4,8% per jaar over de periode 2000 tot en met 2010. Dat is gradueel beter dan de door DNB gehanteerde benchmark. Wij weten ook dat bijvoorbeeld het APG, dat een groot deel van het Nederlandse pensioenvermogen belegt, in 2012  een beleggingsresultaat realiseert van ongeveer 10%. Beleggingsresultaten zijn sterk aan schommelingen onderhevig en zijn ook incidenteel negatief maar over de afgelopen zes decennia werden gemiddeld resultaten geboekt boven de 4%, ook over de laatste tien jaren. De huidige problemen van de pensioenfondsen komen dan ook niet voort uit de slechte beleggingsresultaten.

Ad 4. De toegenomen levensverwachting is dus slechts voor een deel verantwoordelijk voor de daling van de dekkingsgraad van pensioenfondsen. De vergrijzing en de beweerde slechte beleggingsresultaten spelen geen enkele rol. Blijft over de gehanteerde rente. Bij het in werking treden van de Pensioenwet 2006 is de systematiek van het contant maken van de pensioenverplichtingen aangepast. Werd tot die tijd een vaste discontovoet van 4% gehanteerd, in 2006 werd overgeschakeld op de rentetermijnstructuur (RTS) die op dat moment een hogere rente aangaf. Deze RTS zou teruggerekend tot 1990 nagenoeg elk jaar een veel hogere rekenrente hebben gegeven dan de 4% die toen werd gehanteerd. Daar is toen nooit over geklaagd noch gediscussieerd. Sinds 2008 is de nieuwe rekenrente echter steeds lager geweest dan 4%. Daar zijn verschillende redenen voor. Ten eerste daalt de rente in Nederland over de laatste decennia, komende van een zeer hoog niveau (boven 10%) uit de zeventiger jaren, naar onder 2% nu. Dat komt omdat Nederland van een land met een grote staatsschuld en een groot begrotingstekort is geworden tot een van de vier landen in Europa met een AAA-status. Daarnaast komen er nog aanvullende effecten:  het is de vraag of de nu gehanteerde formule  juist is. Het gaat om het toepassen van een zogenoemde “risicovrije” rente, terwijl het aanvullend pensioen, de toezeggingen die zijn gedaan en de wijze waarop fondsen worden beheerd helemaal niet risicovrij zijn. Daardoor worden appels met peren vergeleken. Bovendien is de rente in Nederland  (en Duitsland, Finland en Oostenrijk) extra laag vanwege het “safe haven” effect. Overtollige liquiditeiten vluchten naar deze landen om het risico in de zuidelijke Eurolanden te ontlopen, zelfs als dat een zeer lage rente opbrengt. We mogen hopen en verwachten dat dit effect tijdelijk is. Inmiddels heeft de regering wel ingegrepen bij een ander problematisch verschijnsel van de RTS: het inverse verloop na 20 jaar. Voor perioden van 20 tot 60 jaar mag daarom gerekend worden met de Ultimate Forward Rate (UFR).

Conclusie: De wet behoeft geen aanpassing, want met de systematiek van het aanvullend pensioen is niets mis. Alleen is bij de keuze voor de rekenrente niet voorzien dat ongewilde neveneffecten een doorslaggevende invloed zouden hebben op de rente en daardoor op de dekkingsgraad. Door deze ongewilde neveneffecten dreigen nu miljoenen Nederlanders gekort te worden op hun rechten. Bij gepensioneerden betekent dat onmiddellijke kortingen op het beschikbare inkomen. Daarom bepleit de KNVG een Commissie Rekenrente die objectief een advies uitbrengt over de gewenste rekenmethodiek, rekening houdend met de hierboven genoemde ongewenste neveneffecten van de bestaande methodiek van de rentetermijnstructuur.

 

Maar het kan toch niet waar zijn dat de Werkgevers en de Vakbonden in Nederland in het Pensioenakkoord voorstellen uitwerken die problemen oplossen die er niet zijn? En dat de Nederlandse overheid dat volmondig ondersteunt? Wat zit daarachter?

Er zijn twee zaken die een bijzondere rol hebben gespeeld bij het totstandkomen van het Pensioenakkoord en bij het nog steeds voortduren van de drang om het pensioenstelsel in Nederland aan te passen. Voor werkgevers de noodzaak om op grond van internationale accountancyregels over te schakelen van de huidige Defined Benefit (DB) regeling (de regeling waarbij de spaarinzet leidt tot een gegarandeerde uitkering) naar een Defined Contribution (DC) regeling, waarbij alleen gegarandeerd wordt wat de inleg is en niet wat daaruit wordt uitgekeerd. Bij een DC regeling liggen alle risico’s bij de deelnemers, bij een DB regeling deels bij de werkgevers. Bij een DC regeling is de bijdrage van de werkgever gemaximeerd. Dat is de essentie van wat er in het Pensioenakkoord is geregeld. Voor werkgevers, werknemers en overheid is er daarnaast de noodzaak in te spelen op de toegenomen levensverwachting en de verwachte daling van de beroepsbevolking, waardoor de verhouding werkenden/gepensioneerden uit balans komt. Dat kan alleen door verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. Dat is het andere belangrijke onderdeel van het Pensioenakkoord. Overigens is het Pensioenakkoord van tafel. De verhoging van de pensioenleeftijd verloopt veel sneller en compensaties voor zware beroepen is er geen zichtbaar onderdeel meer van. En er is nog grote onduidelijkheid over het niveau van de maximum premie. Ondertussen wordt al wel hard gewerkt aan invoering van het reële stelsel, dat feitelijk een DC stelsel is, waarbij alle risico’s bij de deelnemers liggen. Vooralsnog zijn gepensioneerden op geen enkele wijze betrokken bij deze stelselverandering. Wel aan tafel komen is een van de hoofddoelen van de KNVG.

 

Welke snode plannen worden in Brussel gesmeed?

Er zijn hier twee grote bedreigingen: de herziening van de IORP Richtlijn en de invoering van een Europese Financiële Transactie Taks (FTT).

In het Witboek Pensioenen van de Europese Commissie wordt voorgesteld de Europese Solvency II Richtlijn voor verzekeraars ook voor pensioenfondsen toe te passen. Als sommige elementen uit deze richtlijn, zoals de zekerheidseis van 99,5%, worden overgenomen voor pensioenfondsen, zal dit leiden tot een toename in de buffervereisten voor Nederlandse pensioenfondsen met circa 11% van de verplichtingen. Bij deze berekening is alleen uitgegaan van de toename van de zekerheidseis van de huidige Nederlandse 97,5% naar 99,5%. Andere elementen uit de Solvency II Richtlijn zijn niet meegenomen. Deze zullen ook van invloed zijn op de door pensioenfondsen aan te houden buffers. ?Zo is de toename van de buffervereisten met circa 11% van de verplichtingen berekend op basis van de nominale verplichtingen van Nederlandse pensioenfondsen. Als over de voorwaardelijke indexatie ook een buffer moet worden aangehouden, zal de toename nog hoger uitvallen.

De FTT zal voor pensioenfondsen betekenen dat er belasting moet worden betaald over elke financiële transactie. Dat zal de kosten van pensioenfondsen opjagen en de rendementen negatief beïnvloeden. Alsof Nederlandse pensioenfondsen al niet genoeg problemen hebben met de bestaande voorschriften en het verscherpte toezicht.

Het stemt tot vreugde en tevredenheid dat de Nederlandse overheid zich tot nu toe tegen beide voorstellen heeft uitgesproken. Maar u weet hoe dat gaat in Europa: terwijl de honden blaffen trekt de karavaan voort.

 

Zijn er al resultaten bereikt in Den Haag?

Wij hebben tot nu verschillende documenten naar de relevante Kamerleden gestuurd, bijvoorbeeld over de Hoofdlijnennota Pensioenen, over het Wetontwerp Aanpassing AOW, over de aanpassing van het Financiële Toetsingskader (FTK) en de middeling van de dekkingsgraad over een jaar en over het Wetsvoorstel Versterking Bestuur Pensioenfondsen. Een van de meest recente acties is het initiatief van de KNVG om te komen tot een Commissie Rekenrente. De Minister en de leden van de Tweede Kamer die zich met pensioenen bezighouden hebben wij hierover geïnformeerd. Al deze stukken zijn elders op deze website te vinden. Namens de gepensioneerden heeft onze voorzitter, Martin van Rooijen, de laatste maanden talloze gesprekken met de Minister, ambtenaren, Kamerleden en andere stakeholders gehad. Deze gesprekken hebben zeker ook resultaat gehad. De rente waarmee verplichtingen contant worden gemaakt ter berekening van de dekkingsgraad van pensioenfondsen wordt in ieder geval voor de periode boven de twintig jaar aangepast. Ook wordt in de voorstellen van de minister gerekend met een gemiddelde dekkingsgraad over een jaar. Het verplicht collectief invaren van oude rechten in een nieuw stelsel is van de baan. Eigenlijk is het uitgangspunt van de politiek nu: enige aanpassing van de bestaande pensioenwet is voldoende om het stelsel toekomstbestendig te maken. Dat was altijd al ons standpunt. Zie ook “Een uitstekend alternatief” dat u elders op deze website kunt vinden. Maar niet ontkend kan worden dat de plannen om het pensioenstelsel om te bouwen van een nominaal systeem naar een reëel stelsel nog recht overeind staan.

 

Welke organisaties zijn lid van de KNVG?

De verenigingen die tot de initiatiefnemers worden gerekend zijn toegetreden tot de KNVG. Een aantal van die verenigingen moeten in hun eigen organisatie nog de formele besluitvormingsprocedures doorlopen. U vindt onder het hoofdje “leden” van deze website daarom alleen die verenigingen die de besluitvormingsprocedure al volledig hebben doorlopen. Daarnaast zijn nog ongeveer 12 verenigingen bezig met de besluitvormingsprocedure.

 

Hoe gaat u zich met de zorg bezighouden?

Het onderwerp zorg is buitengewoon complex en verdient de komende jaren veel aandacht. De zorgkosten in Nederland stijgen de laatste jaren in een verontrustend tempo. Wat misschien nog veel zorgwekkender is dat deze stijging op het conto geschreven wordt van de vergrijzing, terwijl de kostenstijging een verschijnsel is met meerdere dimensies. Aan de ene kant worden de mensen ouder dan in het verleden het geval was. Voor een deel leidt dat ouder worden ook tot hogere zorgkosten, vooral in de laatste jaren van het leven. Maar de stijging van de zorgkosten heeft ook oorzaken die niets met de vergrijzing te maken hebben. Steeds meer is mogelijk tegen steeds hogere kosten. Het karakter van de Nederlandse samenleving leidt in een aantal gevallen tot collectivering van kosten die ook gewoon voor eigen rekening kunnen worden genomen. Deze collectivering leidt ook tot overconsumptie. Voor weer een ander deel zit de kostenstijging ook in de specifieke structuur van de Nederlandse zorg. Vergeleken met de landen om ons heen zijn sommige zorgcomponenten in Nederland erg kostbaar.

Wat moet worden opgemerkt is dat de stijging van de zorgkosten maar voor een deel kan worden verklaard uit de toegenomen levensverwachting. Het kan vooralsnog niet verklaard worden uit het ouder worden van de babyboomgeneratie. Deze groep zal pas over enige jaren invloed uitoefenen op de vergrijzing. Wat wel kan worden gezegd is dat in de verdere toekomst de vergrijzing een grotere rol gaat spelen in de ontwikkeling van de zorgkosten. Wij willen meedenken en meepraten over deze ontwikkelingen. Tenslotte kan worden opgemerkt dat goede voorlichting en preventie vaak een bijdrage kunnen leveren aan het vermijden van het ontstaan van gezondheidsklachten. Bij kosten op het gebied van voorlichting en preventie gaat de kost dus op de baat vooruit.

Naast een Commissie Pensioenen opereert er daarom ook een Commissie Zorg en Welzijn. Deze Commissie van deskundigen zal zich permanent bezighouden met de ontwikkelingen en het bestuur adviseren over te nemen acties.



 
Reageer op dit item