Herziening pensioenstelsel kost meer dan de hele Brexit

dinsdag 4 juli 2017
Thema's:  Blog

Vandaag verscheen een artikel van de hand van onze voorzitter Joep Schouten in het Algemeen Dagblad. Onderstaand treft u de uitgebreide versie van dit artikel aan. In de bijlage kunt u de verkorte versie, zoals deze is gepubliceerd in het AD, lezen.

 

EU-commissievoorzitter Juncker heeft de Engelse premier Theresa May en 60 miljoen Britten met haar, fors laten schrikken met de mededeling dat de Brexit het Verenigd Koninkrijk 100 miljard euro gaat kosten. Des te opmerkelijker is het dat het in Nederland doodstil blijft in het vooruitzicht dat de herziening van ons pensioenstelsel eveneens minstens 100 miljard euro gaat kosten. Wie de rekening gaat betalen is zowel bij de Brexit als bij het nieuwe pensioenstelsel nog niet duidelijk.

Al een paar jaar wordt er in ons land gestudeerd op een ingrijpende herziening van het pensioenstelsel. Het onderwerp heeft inmiddels ook de formatietafel bereikt. Alle focus ligt op de introductie van een eigen potjessysteem, waarbij de deelnemers het risico gaan dragen over de beleggingen en garanties vervallen. Sommige politici en hoogleraren zien hierin het ei van Columbus. In de commissie Toekomst Pensioenstelsel van de Sociaal-Economische Raad, het sociaal-economische adviesorgaan van de regering, zijn ze er nog steeds niet helemaal uit of dat ook echt zo is.

Vrij algemeen wordt ervan uit gegaan dat de ‘doorsneepremie’ moet worden afgeschaft. De meerderheid van de deelnemers aan een aanvullend bedrijfstak- of ondernemingspensioenfonds betaalt op dit moment hetzelfde doorsnee-percentage premie en krijgt daarvoor hetzelfde doorsnee-percentage pensioenopbouw. Een zelfde premiepercentage voor iedereen is administratief erg makkelijk, maar het heeft ook nadelige aspecten.

Deelnemers aan een pensioenfonds hebben in hun jonge jaren een nadeel van de doorsneepremie en in het tweede deel van hun leven een voordeel. Dat zit zo: de premies van jongeren kunnen heel lang renderen en jongeren zouden wellicht een hoger rendement op hun inleg kunnen bereiken als er geen sprake was van een doorsneepremie. Vanwege de doorsneepremie sponsoren ze als het ware de deelnemers, die in de tweede fase van hun loopbaan zitten. Anders gezegd: deelnemers aan een pensioenfonds betalen in het begin van hun loopbaan iets te veel premie, maar dat slaat om als ze ongeveer 45 jaar zijn. Daarna gaan ze iets te weinig betalen. Bij pensionering is de rekening dan weer precies vereffend.

Iemand die met 45 jaar ZZP-er wordt ener voor kiest niet meer deel te nemen aan het pensioenfonds, heeft als jongere wel het nadeel van de doorsneepremie gehad, maar hij krijgt niet meer het voordeel ervan. Wie pas op latere leeftijd in een pensioenfonds mee gaat doen, heeft juist alleen maar het voordeel. Dat geldt bij voorbeeld voor herintredende vrouwen. Het vorige kabinet heeft besloten dat de doorsneepremie vervangen gaat worden door een systeem, waarin de opbouw of de premie in de loop van de carrière kan gaan variëren. De invoering daarvan wordt aan het nieuwe kabinet overgelaten.

Het Centraal Planbureau heeft uitgerekend dat de afschaffing van de doorsneepremie 100 miljard euro gaat kosten. Dat geld is deels nodig om de nu actieve werknemers te compenseren, die ten gevolge van de systeemwijziging straks te weinig pensioen opbouwen op latere leeftijd. Dat zijn dus de mensen, die tot hun 45ste jaar vanwege de ‘solidariteitspremie’ minder hebben opgebouwd, maar na afschaffing van de doorsneepremie opeens geen sponsor (geen jongeren) meer hebben om dat voor hen te compenseren.

Behalve met dit plotselinge pensioengat moet ook nog rekening worden gehouden met een grote automatiseringsslag en een administratieve reorganisatie, die - naar schatting - voor alle pensioenfondsen bij elkaar ook nog eens honderden miljoenen euro zal gaan kosten. Daarmee komt de rekening voor de pensioenstelselherziening op een bedrag uit dat de kosten van de Brexit overstijgt. Net als bij de Brexit ontbrandt straks het debat wie dat moet betalen.

De betrokken ambtenaren, politici, pensioendeskundigen en adviserende hoogleraren schrokken zich een hoedje van deze hoge kosten. Er worden allerlei redeneringen en trucs bedacht om dit bedrag minder hoog te laten lijken. In de publieke opinie en de pers wordt nog maar weinig aandacht besteed aan dit heikele vraagstuk. De reden: pensioenen zijn voor de meeste mensen veel te complex en men gaat het toch niet snappen. Maar dat is onzin. Het probleem is goed uit te leggen.

Dit is de keuze waar het om gaat: het opgebouwde vermogen van pensioenfondsen moet bij afschaffing van de doorsneepremie worden verlaagd met 100 miljard (7%) óf de premievermindering voor de jongere pensioendeelnemers wordt vertraagd om de kosten van overschakeling naar het nieuwe systeem op te brengen. Verlaging van het vermogen zal de dekkingsgraad van de toch al door de lage rente geplaagde pensioenfondsen hard raken en kortingen nodig maken.

Ouderenorganisaties stellen dat gepensioneerden niet hoeven mee te betalen aan de afschaffing van de doorsneepremie. Zij hebben immers gedurende hun leven alle premies volledig betaald, ze hebben geen enkel voordeel van deze kostbare herziening en hun pensioenen zijn al veel jaren niet geïndexeerd en in sommige gevallen zelfs gekort. De jongeren vinden dat de solidariteit is doorgeschoten en dat de moderne arbeidsmarkt niet meer te verenigen is met de doorsneepremie. Zij willen per direct minder premie betalen of een hogere pensioenopbouw zien.

Afschaffing van de doorsneepremie - hoe verdedigbaar ook - mag geen dogma worden. Bedrijfs(tak)pensioenfondsen moeten in het belang van hun deelnemers ook straks nog steeds kunnen kiezen voor handhaving van de klassieke doorsneepremie; bijvoorbeeld als hun deelnemers in de regel hun hele leven in hetzelfde bedrijf of dezelfde bedrijfstak blijven werken of als de sector weinig ZZP’ers kent. Een geldverslindende operatie is dan niet per se nodig en dus ongewenst.

Het zou daarnaast aanzienlijk eenvoudiger zijn ZZP’ers te verplichten aan een pensioenvoorziening deel te nemen, net zoals die plicht bestaat voor werknemers in loondienst. Ook dat vermindert de pijn. Als ZZP-ers geen pensioen opbouwen en met hun lagere loonkosten werknemers uit hun vaste baan concurreren, heeft dat grote maatschappelijk gevolgen. 



 
Reageer op dit item